Onafhankelijke kennis over NEN 1010-inspecties voor bedrijven Normupdates per e-mailStel een vraag

Inspecties

Inspectie van laadpalen en laadinfrastructuur

Norm NEN 1010 deel 7-722

Laadinfrastructuur is voor veel bedrijven in korte tijd een groot onderdeel van de elektrische installatie geworden. Een laadplein met tientallen punten trekt een flink vermogen, staat buiten en wordt door wisselende gebruikers aangeraakt. NEN 1010 bevat daarom in deel 7-722 aanvullende eisen voor de voeding van elektrische voertuigen.

Wanneer is een inspectie van laadpalen nodig?

Bij de aanleg of uitbreiding van laadpunten hoort een eerste verificatie volgens NEN 1010 deel 6, met de aanvullende eisen uit deel 7-722. Dat geldt ook als de laadpalen op een bestaande installatie worden aangesloten: dan moet ook worden beoordeeld of de bestaande hoofdverdeler, voedingskabels en aansluiting het extra vermogen aankunnen.

Daarna vallen de laadpalen onder de periodieke inspectie van de installatie volgens NEN 3140. Een verzekeraar kan laadinfrastructuur ook meenemen in een Scope 10-inspectie.

Wat eist NEN 1010 deel 7-722?

De belangrijkste aanvullende eisen gaan over de manier waarop elk laadpunt is gevoed en beveiligd.

Eis Toelichting
Eigen eindgroep per aansluitpunt Elk laadpunt heeft een eigen beveiliging tegen overstroom
Aardlekbeveiliging per aansluitpunt Een aardlekschakelaar van maximaal 30 mA per aansluitpunt
Bescherming tegen DC-foutstroom Een RCD type B, of type A in combinatie met een voorziening die DC-foutstroom detecteert en afschakelt
Geen PEN-geleider in de eindgroep In de eindgroep naar het laadpunt worden nul en beschermingsleiding gescheiden uitgevoerd
Mechanische bescherming Bescherming tegen aanrijding en een passende IP-waarde voor de opstelplaats

Veel moderne laadpalen hebben een ingebouwde DC-foutstroomdetectie. De inspecteur controleert dan of die voorziening er werkelijk is, of de aardlekschakelaar in de verdeler daarbij past en of de combinatie overeenkomt met de documentatie van de fabrikant.

Waar let de inspecteur extra op?

Naast de standaardmetingen uit deel 6 zijn er bij laadinfrastructuur een paar aandachtspunten die in de praktijk vaak terugkomen.

Belasting en kabeldimensionering. Laadpalen kunnen urenlang op vol vermogen draaien. Een voedingskabel die op papier net voldoet, wordt bij gelijktijdig laden warm. Bij laadpleinen met dynamisch laadbeheer moet duidelijk zijn op welk maximaal vermogen de installatie is ontworpen en hoe het laadbeheer dat begrenst.

Aarding. Bij een TN-C-S-aansluiting kan een onderbreking van de PEN-geleider in het net ertoe leiden dat het chassis van een auto spanning voert. Of en hoe dat risico is afgedekt, bijvoorbeeld met een eigen aardelektrode of een PEN-foutdetectie in de laadpaal, hoort in het ontwerp en de opleverdocumentatie te staan.

Buitenopstelling. Vocht in voetstukken, beschadigde kabels en aangereden palen zijn de meest gevonden gebreken bij bestaande laadpleinen. Ook de afwerking van ondergrondse kabelinvoeren verdient aandacht.

In de praktijk laadpalen worden geregeld door een gespecialiseerde partij geplaatst, terwijl de voeding uit de bestaande installatie komt. Zorg dat duidelijk is wie verantwoordelijk is voor welk deel en dat beide delen in één opleverdossier zijn vastgelegd.

Na de inspectie

Het rapport bevat de meetwaarden per laadpunt, inclusief de beproeving van de aardlekbeveiliging en de DC-foutstroomdetectie. Bewaar deze waarden: ze vormen het referentiepunt voor latere inspecties. Een laadpunt waarvan de beveiliging bij een periodieke controle merkbaar trager reageert, is een signaal om nader te onderzoeken.

Bent u een laadplein aan het voorbereiden, lees dan ook het artikel over laadpleinen bij bedrijven: aanleg en inspectie. Combineert u laadpunten met zonnepanelen of een batterij, dan kan ook NEN 1010-8 een rol spelen.

Veelgestelde vragen

Waarom is een gewone aardlekschakelaar type A niet altijd genoeg bij een laadpaal?

Een elektrische auto kan een gelijkstroom-foutstroom veroorzaken. Zo'n DC-foutstroom kan een aardlekschakelaar type A verzadigen, waardoor hij bij een echte fout niet meer goed afschakelt. Daarom moet per aansluitpunt ook DC-foutstroom worden gedetecteerd, met een RCD type B of met een voorziening die DC-foutstroom afschakelt, vaak in de laadpaal zelf.

Moet een laadplein bij een bedrijf periodiek worden geïnspecteerd?

Laadpalen zijn onderdeel van de elektrische installatie op de arbeidsplaats en vallen daarmee onder de periodieke inspectie volgens NEN 3140. Omdat laadpalen buiten staan, intensief worden gebruikt en mechanisch kwetsbaar zijn, kiezen veel beheerders voor een kortere termijn dan voor de rest van de installatie.

Mag ik meerdere laadpalen op één groep aansluiten?

NEN 1010 deel 7-722 eist dat elk aansluitpunt een eigen eindgroep heeft met eigen beveiliging. Een voedingskabel naar een subverdeler op het laadplein is wel mogelijk, zolang vanaf die verdeler elk laadpunt afzonderlijk is beveiligd.